Recent Nieuws

7 april 2022

Aangaande het Oorlogsmonument Voorschoten wordt het bizar gevonden, dat SS-er Henryc  Adamski met ervaring in het den kleinen Widerstand eliminieren (term om onderduikers om te brengen, zie ook de film Inglorious Bastards) binnen acht weken (begin december 1944 – begin februari 1945) minstens acht, maar mogelijk tien mannen en vrouwen methodisch kon vermoorden. Mogelijk kwam hij als andere SS-ers op krachten na hun overwinning van Operatie Market Garden. Adamski wordt tegen beter weten in door de gemeente Voorschoten geëerd met een plaats bovenaan op de namenlijst van het oorlogsmonument en met een straatnaam. Oekraïners, Duitsers, Rotterdammers kunnen zeuren over straatnamen, Voorschotenaren doen dat niet.

Uit de toespraak van wnd. Burgemeester Viveen op 9 mei 1945 blijkt dat Adamski niet op 12 maart 1945 wordt gefusilleerd.  Adamski kreeg direct na de arrestatie een uitzonderlijke behandeling. Hij moest zwijgend door Leo van der Bijl herkend worden met een knik. Hij verdwijnt dan. Adamski kan elders later gesneuveld zijn, maar ook de oorlog overleefd hebben. Tussen al die geallieerde Canadese en Poolse bevrijders was dat niet moeilijk. Uit die chaos kwamen vele Polen via Duitsland thuis in Krakow.                                                                                                                        Na het begraven van de gefusilleerden in Rotterdam merkt de gemeente bij het aangeven op 20 maart 1945 dat de identiteit van twee slachtoffers nog niet vaststaat. Volgens de opgave door de SD is één ervan Johann de Jong uit Duitsland. Eind 1945/ begin 1946 wordt achterhaald dat één ervan Kurt Levie Callo is. Daarvan wordt alsnog aangifte gedaan. Tegelijkertijd wordt voor de andere gefusilleerde die De Jong zou zijn, een aangifte opgemaakt die om niet bekende reden de naam vermeldt van Alexander Adamski, van wie alleen geboortedatum en -plaats bekend is. De aangifte wordt in datum en lijkbezorger aangepast bij de eerdere aangiften.

Zowel gemeentebestuur, als rechtbank en Raad van State oordelen dat de gemeente Voorschoten het recht heeft Adamski te eren.

Altvoorde diende op verzoek van verwanten een rekest in om twee van de onschuldige slachtoffers te vermelden bij het gemeentelijk oorlogsmonument. Het gaat om  moeder Trijntje en zoon Albert Gramsma, van wie de identiteit bekend is- bij moeder Gramsma zelfs de plaats van het graf. De gemeente weigert dat. De rechter en de Raad van State weigeren op de zaak in te gaan.

Nu de bestuursrechter in hoogste instantie heeft beslist en Europese instanties zich tot hun spijt onbevoegd verklaren, sluit Altvoorde deze zaak.

4 april 2022

Het grafmonument voor Dr. Hendrik Freerk Tillema bleek door de familie reeds vernieuwd. Voor een herdenking van die filantroop en pionier voor volksgezondheid in Nederlands-Indië bestond bij onderwijs en gemeente Joure ( de Fryske Marren) in eerste instantie belangstelling. Tillema is een van degenen die een tegenwicht kunnen bieden bij de historisch onredelijk negatieve beoordeling van Nederlanders in onze grootste kolonie die in de twintigste eeuw mede door Nederlandse idealisten tot bewustwording en ontwikkeling kwam. Een internationaal waterleidingbedrijf en de beroepsorganisatie van apothekers willen echter niet reageren. Provincie en universiteit wachten af.

Nederlands-Indië blijft een precair onderwerp. Het eenzijdige regeringsrapport dat op 17 februari 2022 verscheen, kreeg heeft terecht weinig aandacht. Voor de pionier op het gebied van volksgezondheid in Indië die onbaatzuchtig voor arme kampongbewoners heeft geijverd, bestaat amper belangstelling. Enigerlei herdenking vanwege een kroonjaar krijgt geen bijval. Sterker nog, zowel de familie als de begraafplaats ontkennen dat Dr H.F. Tillema van enig cultureel of nationaal belang is. In dergelijke omstandigheden sluit Altvoorde deze zaak.

12 januari 2022

In de zaak Altvoorde versus burgemeester en wethouders Voorschoten vond op 23 november 2021 de zitting plaats. Het werd geen zitting waarop de staatsraad trots kan zijn. In radio-uitzendingen en in enkele kranten werd daarover terughoudend bericht. Wel verklaarde Altvoorde dat bij een herhaalde afwijzing van het verzoek om prejudiciële vragen te stellen, de stichting zich zelf tot het Europese Hof van Justitie in Luxemburg of een daartoe geëigende Europese juridische instantie zou wenden. Op 15 december werd de beslissing van de Raad van State uitgesproken. De Raad gaat evenmin als de rechter in op de rechtsvraag. Daar wordt geen enkele aandacht aan besteed. Waarom niet? Omdat het zetten van teksten op het monument iets puur feitelijks is – daar is geen rechtsvraag over mogelijk. Dat is het standpunt van een analfabeet.

Op antieke monumenten, middeleeuwse huizen ( en recente graffiti) vindt men teksten met fouten die aangebracht zijn door mensen die wel konden griffen of verven, maar zelf niet begrepen wat zij aan voorbijgangers bekend maakten. Dat vinden de beslissende rechterlijke ambtenaren ook van de teksten op het oorlogsmonument. Dat bespaart meer tijd en moeite en geld en verlegenheid dan men denkt. Want zo wordt genegeerd dat op het oorlogsmonument de namen van drie moordenaars staan, waaronder bovenaan de naam van de leider van de Voorschotense Moordcentrale, een SS-er. Om over de straatnamen waarop die drie misdadigers staan, maar te zwijgen. Juridisch is dan de zaak beslist door de hoogste instantie.

Heeft een rechter dan altijd het laatste woord? Nee, dat was niet zo en is niet zo. Het gaat immers om een openbaar making door de overheid, de gemeente, op een monument dat een educatief, de lokale identiteit versterkend doel heeft. Dan mogen rechterlijke ambtenaren wel besluiten dat geen rechtsvraag kan bestaan, maar dat zegt wat van de Raad van State, niet van de maatschappelijke werkelijkheid. Mag een gemeente 73 jaar lang opzettelijk moorden verzwijgen in een algemene openbaarmaking over het dorp in de periode 1940-1945? Op een monument waarachter in het park twee vrouwelijke slachtoffers van de Moordcentrale op geheimgehouden plekken liggen?

Vandaag, 12 januari 2022, staat in de kranten dat de stoffelijke overschotten van vijf Tsjechische vliegers terug gevonden zijn. Ze zijn 22 juli 1941 neergestort. De Bergings- en Identificatiedienst van het leger heeft terug gevonden, wat hun namen zijn. Ze worden begraven op een militair ereveld in Nederland. Er zijn meer van die opgravingen gedaan. De namen van Russische krijgsgevangenen op de Amersfoortse begraafplaats zijn terug gevonden. Dat verdient en krijgt respect, ook uit het buitenland. Maar Albert en Trijntje Gramsma zijn uit de archieven verwijderd. Dat de argeloze, vermoorde Trijntje op het achtererf van een boerderij ligt, is een publiek geheim. Vermelding op een nog lege plek op het oorlogsmonument? Daar is geen rechtsvraag over mogelijk; dat heeft de staatsraad besloten, met een juridische formaliteit, zo’n schijnbaar listige gebruiksaanwijzing, waar juristen zich impopulair mee maken?

Altvoorde heeft zich daarom zoals eerder aangekondigd tot de Europese instanties gewend. Fatsoenshalve zijn de Nederlandse autoriteiten die verbonden zijn met die instanties gelijktijdig op de hoogte gebracht. Op 27 januari mag Altvoorde met de nieuwe burgemeester spreken. Daarvan mag iets goeds gehoopt worden. Zij heeft in Leidschendam-Voorburg ervaren dat een oorlogsmonument verbeterd werd door namen van SS-ers en een zwarthandelaar te verwijderen. Dat siert Leidschendam-Voorburg. Niemand is ermee gebaat dat een overheid in een immorele en discriminerende openbaarmaking volhardt. Je zal maar wonen in een dorp met zo’n monument, of in een straat die naar een misdadiger is genoemd.

23 oktober 2021

Op 23 november a.s. wordt om 9.30 uur bij de Raad van State de openbare zitting gehouden in het geschil Stichting Altvoorde versus Burgemeester en Wethouders van Voorschoten. De zitting wordt geleid door staatsraad mr. E. Steendijk. Het geschil betreft het verzoek van Altvoorde om twee namen aan het gemeentelijk oorlogsmonument toe te voegen: Albert Frantz Gramsma (Voorburg 29.01.1926 – Zoeterwoude 17.01.1945) en diens gescheiden moeder Trijntje Nielsen Hansen (Assen 5.4.1902 – Stompwijk 4.2.1945).

Albert werd door het Arbeidsbureau gedwongen op te komen bij de Kriegsmarine. Een jongen die in november 1944 moet opkomen bij de verliezende Duitse krijgsmacht doet dat niet vrijwillig. Hij deserteerde tijdens de rekrutentijd. Hij werd door Adamski c.s. van achteren neergeschoten en huilend verdronken. Zijn graf is nog niet achterhaald. Zijn moeder Trijntje bleef naar hem vragen. Daarom werd zij naar een boerderij in Stompwijk geleid. Daar werd zij gewurgd en begraven( hopelijk niet levend) op het erf. Daar ligt zij nog.

De gemeente Voorschoten heeft nog plaats voor de door Altvoorde verzochte vermeldingen, maar weigert dat. De eerste reden is dat de Gramsma’s niet door vijandelijk (Duits) geweld zijn omgebracht. Dat is juist, zij zijn twee van de minstens 8, mogelijk 12 onderduikers of passanten die zonder reden zijn vermoord door een lokale parochiële groep (lees pseudo-verzetsgroep) waarvan de parochie zich later gedistantieerd heeft. De groep was van 5.12.1944 tot 12.3.1945 actief en stond bekend als de Moordcentrale geleid door een Pool.

De tweede reden is dat Burgemeester en Wethouders oordelen dat het hun volkomen vrij staat om zonder enige morele beperking op een gemeentelijk monument te vermelden wie zij willen. Zelfs als het om extreem rechtse personen of verzwijging van de holocaust gaat. Het vermelden op een openbaar gemeentelijk monument is een particuliere activiteit. Altvoorde kan daartegen een civiel (kort geding) met verplichte advocaat aanspannen.

Altvoorde vindt dat die beslissingen vernietigd moeten worden (Zie hieronder het vermelde onder 6 april 2021). De Raad van State zou daarbij een aanwijzing kunnen geven over integriteit van de overheid. Altvoorde vroeg vergeefs aan de rechtbank en vraagt wederom aan de Raad van State om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie.

Het is helaas een zwaar beladen, pijnlijke kwestie geworden. De gemeente had op basis van eigen onderzoek door een gemeentelijke commissie het omstreden monument zonder ophef kunnen verwijderen. Dat zou mettertijd vervangen kunnen worden door een ander -moderner- monument met toevoeging van de Gramsma’s. Daarmee zou Voorschoten de eerste gemeente worden die onschuldige familieleden van NSB-ers had erkend als slachtoffers van pseudo-verzet en criminelen in oorlogstijd. Maar daarbij zou een groot probleem meespelen: de gemeente kan niet te goeder trouw zowel een moordenaar als twee van zijn slachtoffers op een monument vermelden.

Maar als men moordenaars van een monument schrapt, wat moet dan gebeuren met de drie straatnamen die in de verzetswijk naar hen genoemd zijn? De gemeente is misleid door een inmiddels overleden, ondergeschikt lid van de Moordcentrale die meer dan een halve eeuw ten onrechte als verzetsleider werd beschouwd en als zodanig zowel over de vormgeving van het monument (1948) als over de naamgeving van straten in de verzetswijk heeft geadviseerd. Hij heeft zijn echte leider en twee handlangers als verzetshelden voorgesteld. De overledene heeft er ook toe bijgedragen dat de namen van vermoorde uit Voorschoten weggevoerde Joodse inwoners tot begin deze eeuw niet vermeld mochten worden – een indirecte ontkenning van de holocaust in het dorp. Het zijn netelige omstandigheden die met beleid, takt en investering opgelost konden worden. Burgemeester en Wethouders hebben blijkbaar gezichtsverlies en kosten willen voorkomen. Op den duur zullen burgers waarschijnlijk niet tolereren dat bovenaan het oorlogsmonument een SS-er staat die een aantal moorden op koelbloedige wijze pleegde. Niet iedereen zal in een straat willen wonen, die naar een lid van de Moordcentrale is genoemd.

Omdat denkbaar is dat de Raad van State zonder meer de uitspraak van de rechtbank zou bekrachtigen, heeft Altvoorde verzocht prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie. Niet alleen in Nederland (Leidschendam-Voorburg) maar ook in Duitsland, België en Frankrijk zijn beslissingen in vergelijkbare gevallen genomen. Bijvoorbeeld in de geboorteplaats van de laatste opperbevelhebber van de Wehrmacht in Nederland.

8 juni 2021

In mei 2020 gingen stemmen op om feestelijk te herdenken dat Hendrik Freerk Tillema ( 5.7.1870 – 26.11.1952) anderhalve eeuw geleden geboren werd. Tillema , die op de canon Altvoorde staat, is een te weinig bekende pionier voor de Volksgezondheid van de arme kampongbewoners in Indië. Zijn levensloop toont een imponerend karakter: hij begint als apotheker, verdient een fortuin als fabrikant en ijvert onvermoeibaar voor betere hygiënische toestanden voor de Indonesische bevolking. Door de pandemie was dit niet mogelijk. Er is nu gedacht naar een verlate herdenking, zoals immers ook sportgebeurtenissen en zelfs de Olympische Spelen van 2020 een jaar later worden gehouden. Voorstanders wijzen erop dat Tillema in de huidige controverse over het optreden van Nederlanders in het voormalige Indië een van degenen is, die zich onbaatzuchtig hebben ingezet voor het welzijn van de inlandse bevolking. Wij onderzoeken of er genoeg steun bij personen en instellingen bestaat voor zo’n feestelijke herdenking.

6 april 2021

Bij de Raad van State loopt sinds 30 maart het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank in het geschil Altvoorde- Gemeente Voorschoten. Het beroep van Altvoorde werd daarin ongegrond verklaard, want de civielrechtelijke procedure is de aangewezen weg voor de stichting.

Tegen die beslissing zijn vier formele grieven en vijf inhoudelijke grieven aangevoerd, met het herhaald verzoek om prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie in Luxemburg te stellen.

De formele bezwaren tegen de uitspraak zijn: de beslissing is niet ondertekend, de ingediende stukken zijn niet allemaal vermeld, er wordt gediscrimineerd in academische titels, alsof mr. de hoogste of belangrijkste titel zou zijn, de beslissing is het onooglijkste document in het dossier omdat het een grauwe kopie is met een ezelsoor. De inhoudelijke bezwaren zijn, dat de grondslag voor de uitspraak ten onrechte niet de laatste beslissing van de gemeente is. Daarbij worden alleen de stukken tot 9 april 2020 beoordeeld, alsof daarna niet meer stukken zijn gewisseld, waaronder een vermeerdering van eis met verzoek om prejudiële vragen te stellen. Daarna oordeelt de rechter dat vermelding van de Gramsma op het gemeentelijk beschermd monument een feitelijke handeling is, die geen enkel rechtsgevolg heeft … wat bevreemdt omdat de Erfgoedwet en de Kadernota Erfgoed Voorschoten op het vermelden van namen van toepassing zijn. De rechter vindt dat een verandering van de bestaande rechtspositie van Altvoorde nodig is voor een verzoek volgens de Algemene Wet Bestuursrecht – dat is onbegrijpelijk bij een gemeentelijk monument van een overheid die voorlichting over de lokale geschiedenis een overheidszaak vindt. Waarom dacht de rechtbank niet aan nationale tradities en het daarbij in vele wetten en verordeningen voorgeschreven ceremonieel? Tenslotte besluit de rechter met het aanhalen van een besluit, dat niet voorkomt in het procesverloop dat de rechtbank zelf opstelde.